Geschiedenis: Griekenland in 1909

Thema’s > Griekenland in 1909

The Project Gutenberg EBook of In Griekenland, by A. Adossidès

This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
almost no restrictions whatsoever.  You may copy it, give it away or
re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
with this eBook or online at www.gutenberg.net

Title: In Griekenland; De Aarde en haar Volken, 1909

Author: A. Adossidès
  In Griekenland. Naar het Frans van A. Adossidès.

Het Griekenland van tegenwoordig is niet meer dat van Chateaubriand of van Edmond About. Het heeft allerlei veranderingen ondergaan. Uit het kleine stadje, dat Athene in hun tijd nog was, en dat men er dertig of veertig jaren geleden ook nog zag, is thans een stad geworden, die waardig haar plaats inneemt onder de europeesche hoofdsteden. De veiligheid is er overal in het land volkomen. De voornaamste middelpunten en de plaatsen waar men opgravingen doet, zijn met Athene verbonden door spoorwegen of door een net van goede rijwegen.

Zoowel uit Athene als uit Patras bereikt men snel Olympia, Corinthe, Mycene, Argos, Nauplia, Tripolitza en Kalamata: Thebe, Chaeronea, Livadia en Chalkis hebben eveneens hun spoorwegen. Ook in Thessalië kruisen elkander de rails. Van Volo gaat een lijn naar Larissa, een andere naar Kalabaka, waar men een bezoek kan brengen aan de beroemde groep der Meteorenkloosters. Naar Sparta laat men zich per rijtuig of per muilezel brengen, en tusschen den Piraeus en Delphi wordt de dienst door booten onderhouden. Corfoe ligt op den weg der paketbooten, die van Brindisi of Venetië naar Patras gaan. Een uitstapje naar de eilanden van den Griekschen Archipel neemt meer tijd. Maar als men niet tot de Cycladen kan gaan, als men niet vol genoeg is van de archaeologie, om op het eiland Delos aan een dienst ter eere van den god Apollo deel te nemen, dan moet de vriend van kleur en lijn toch altijd Salamis gaan zien en Poros, Aegina en den tempel.

Het reizen in het binnenland is voor toeristen niet altijd en overal gemakkelijk. Naar vele beroemde ruïnen en wonderschoone punten voeren slechts allerwonderlijkste wegen. De heerlijke tocht door de kloven van den Taygetos, de bestijging van den berg Kotylion, op welks top zich de tempel verheft, dien het genie van Ictinos voor den genezenden Apollo oprichtte, zijn ware beproevingen voor het uithoudingsvermogen van den ruiter en zelfs voor dat van den voetganger. Maar zulke moeilijke wegen, die men evenwel zonder nadeelige gevolgen aflegt, dank zij der behendigheid van de muilezels, zijn inderdaad uitzonderingen. Meestal heeft men goede wegen.

Griekenland is een der weinige landen, waar men in dezen tijd van autosnelheid nog reizen kan in een aangenaam tempo en nog kan ronddolen en dwalen en flaneeren naar hartelust. Alleen als men er neiging toe gevoelt, verhaast men den pas of als de gids er roeping toe vertoont. Op harmonieuse wijze wordt de tocht gedaan, zonder lastige haast of tyrannieke snelheid; er zijn van die lange trajecten, waar men uren aaneen geen sterveling ontmoet. En meestal behoeft men slechts even zich buiten de poorten van een stad te begeven, om dadelijk zich te gevoelen te midden van de eenzaamheid der bergen of van de wijde vlakte.

Op menige plek komt de geur van maagdelijken grond u tegen. De illusie zou volkomen wezen, als niet bij elke bocht van den weg plotseling een tempel in puin te voorschijn kwam, of een middeleeuwsch fort, een kapel, die op het instorten staat, of een dorp, waarvan de huizen als een kudde geiten tegen de helling der bergen hangen. Laat ieder, die Griekenland wil zien, haast maken; nu zijn er het toerisme en de vreemdelingenindustrie nog maar in het opkomen. Er zijn nog geen wandaden tegen de schoonheid eener streek te constateeren, en de schilderachtige punten zijn nog ongeschonden.

Alleen de steden hebben genoeg den invloed van den modernen tijd ondervonden, om voor het aan modern comfort verwende menschenkind niet afschrikkend te werken. In de voornaamste plaatsen slaapt en eet men niet al te slecht. Patras, Nauplia, Delphi, Olympia hebben zelfs uitstekende hotels. In de gehuchten en de afgelegen dorpen herbergt de aanzienlijkste burger de doortrekkende vreemdelingen. Ook de op de hoogten gelegen kloosters weten reizigers goed te ontvangen; de monniken van Megaspileon en die uit de Meteorenkloosters zijn beleefde en zeer milde gastheeren. Hoogerop in het gebergte krijgt men een gul onthaal bij de herders, waar nog een aartsvaderlijke eenvoud heerscht. Zij slachten ter eere van den reiziger het traditioneele gemeste kalf, dat aan het spit gebraden wordt en des avonds na het homerische onthaal, als allen in een kring rondom een groot vlammend vuur zijn uitgestrekt, heffen ze liederen aan, herderszangen, populaire melodieën en oude volkswijzen.

Het Griekenland van de herders en de bergbewoners is waard, beter bekend te worden, zooals ook dat der zeelieden de moeite van het bekijken loont. Dat Griekenland wordt door de zee en de bergen van de beschaving afgehouden, en in de afgelegen gedeelten der bergstreken, zoowel als aan de weinig bezochte kusten moet men het echte nationale leven zoeken. Daar hebben de steeds openstaande woningen nog een geur van de oudheid over, en men begroet er den vreemdeling met den naam van “broeder”, adelphé. Dat schilderachtige Griekenland van de herders is door een kunstenaar uit Genève, den knappen photograaf Fred. Boissonas, een vurig bewonderaar van Hellas, onder handen genomen en hij heeft dat meer bekend willen maken naast het artistieke Griekenland in een werk, dat eerlang zal verschijnen, een prachteditie, met den titel: “In Griekenland”. Er zullen slechts een bepaald getal exemplaren voor inteekenaren verschijnen en de prijs is 500 francs.

Honderd-veertig heliogravures zullen het werk luister bijzetten, waaronder een groot aantal buiten den tekst, [311]De heer Daniel Baud-Bovy, de directeur van het Museum te Genève, die den heer Boissonas op zijn reis heeft vergezeld, heeft het verhalende en beschrijvende gedeelte voor zijn rekening genomen. Het werk wordt aangevuld met archaeologische aanteekeningen van den heer G. Nicolle, oud-lid van de Fransche School voor kunst en oudheidkunde te Athene, en met een voorrede van den heer Th. Homolle, den eminenten oudheidkundige, directeur der nationale musea, oud-directeur van de school van Athene.

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *